Mijn paardenkastanje is even hoog als mijn woning en even oud als mijn zoon. Hoe oud is mijn zoon? Nee nee, ik laat niets los over de hoogte van mijn huis, kom zelf maar kijken.
De boom is mijn grootste kind, z'n armen proberen al een x-aantal jaren tevergeefs door mijn raam binnen te dringen, een handvol van z'n eigen vruchten ligt immers te schrompelen achter het glas tesamen met vijf tuinappeltjes...
Babbelen tegen mijn wonderschone tuinlieveling zal ik niet gauw doen, voor iets profaans als menselijke grammatica is ons beider hartstocht te heftig. Onze gesprekken zijn woordloze harpklanken, verder uitwaaierend met de Vlaamse Gaai mee, met de merel en het blozende roodborstje.
Mijn boom is grensgebied, voor- en achterdeur van mijn buren en mij, voor onze poezen, mijn Heer Valentijn, hun Dame Lea, bron van droom en doem. Vandaag wacht Valentijn als een stenen beeld op de nadering van de koninklijke Lea op haar elastieken voetjes. De takken doorsnijden spanning, woede en vechtlust. De een heeft de moed om te blijven waar ie zit, de ander om tergend langzaam naderbij te klimmen. Wanneer zal het tot een treffen komen?.....
Maar....nee. De neuzen raken elkaar net nog niet.... de blikken lopen peinzend langs elkaar heen. Ook de veel te kale takken houden de adem in.
Na een minuut of tien besluit Lea de majesteitelijke weg te bewandelen, plechtig en zonder haast. Al even traag volgt op gepaste afstand de andere grenswacht. Koolmees waagt alweer een pirouette.
'Ik ga jou PAIS noemen, je bewaart de vrede,' denk ik tegen mijn hoge vriend Kastanje. Maar dat is veel te romantisch gedacht. Bomen herbergen veel strijd; in de nestjes wordt niet alleen geboren, ook ruimschoots gestorven.
Zijn de planten onze kinderen? Of zijn zij het juist die ons beschermen? Zullen zij toch voor ons 'de anderen' blijven?
Hoe moet het met mijn boom als ik voorgoed weg ben? En hoe moet het met mij als.....dat zal niet gebeuren, mijn tuin is gewijde grond, mijn lief bulderbos.
Miep