Het overkomt mij haast wel dagelijks dat ik mezelf Sartres 'De hel zijn de anderen' toefluister. Zijn waarheid is geen koe maar een zwerm muggen.
De ene andere is de andere niet, je kunt een onderscheid maken tussen de kwetsbare buitengeslotenen als zieken, gevangenen, bewoners van tehuizen.....en de rest. Vervolgens zijn daar dan de kinderen, nog machteloos en al even kwetsbaar, direct gevolgd door de bejaarden. Blijft over de middengroep, niet jong, niet oud, niet ziek en toegerust met een dosis(je) macht. De winkelende massa op zaterdagmiddag, de badgasten in de zomer en de zwoegers van de winterdag, taaie alledaagse volhouders, die nog iets te winnen hebben. Je vindt er gesluierde engelen en gemaskerde monsters tussen.
Maar zelfs deze volhouders kunnen een hel op hun weg vinden. Er bestaan pesters en gepesten, amokmakers en lakoniekelingen, geslaagden en pechvogels. Ze beloeren elkaar in zo'n winkelstraat, op het familiefeest en onder de busabri. 'Moet je die zien....zo'n vent zou je toch....' Men is voortdurend aan het dagdromen over het terechtwijzen van de ander.
De taaie kleffe massa heeft huiveringwekkende macht, is een krioelende bacteriënkweekvijver. Wie niet te dik, te dun, te lelijk, te groot of te klein is mag zijn zegeningen tellen, die mag zich normaal voelen, een zeldzame plant, uitbottend tot bescheiden engel of tot gemaskerd monster.
Regelmatig wordt ons een mediakijkje gegund in de vluchtelingenkampen overal ter kwetsbare wereld. Hier zijn het de omstandigheden die de hel creëren, hier krioelen dicht op elkaar de demonen van de macht en de engelen van de onmacht, de mensen in hun tenten lijken eerder op die engelen dan op demonen.
Door de anderen zijn we zowel gezegend met hun nabijheid als veroordeeld tot duldzaamheid. De anderen zijn van ons allemaal.
Miep