Teleurstellende uitspraak Hoge Raad in proces over kernwapens

Op 21 december 2001 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het proces tegen de Staat over kernwapens. Die uitspraak was voor de eisers teleurstellend. De Hoge Raad verwierp hun bezwaren tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 mei 1999. In dat arrest heeft het Hof de Vereniging van Juristen voor de Vrede (VJV) en mede-eisers niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Deze vorderingen kwamen er op neer dat de rechter bepaalde vormen van gebruik onrechtmatig zou moeten verklaren en om die reden de Staat zou moeten verbieden daaraan mee te werken. Het Hof kwam tot deze niet-ontvankelijkheid omdat het meende dat er geen sprake was van een reëel gevaar van gebruik van kernwapens. Bovendien stelde het Hof dat de eisers hun vorderingen onvoldoende concreet hadden omschreven.

Met de uitspraak van de Hoge Raad is een (voorlopig) einde gekomen aan een procedure die ruim tien jaar geleden werd opgestart. In die procedure baseerden de eisers zich op de onrechtmatigheid van het gebruik van kernwapens zoals dat is voorzien in de NAVO-strategie en militair-operationele plannen. De eisers beriepen zich daarbij op beginselen van het humanitair oorlogsrecht waarvan de regering had erkend dat zij van toepassing waren op kernwapens. Deze beginselen zijn het verbod om de burgerbevolking aan te vallen, het verbod om de burgerbevolking onevenredig te benadelen en het gebod om in een oorlog altijd onderscheid te maken tussen de strijdenden (de zogenaamde combattanten) en de burgerbevolking (de non-combattanten).

Cassatieberoep
Het cassatieberoep waarover de Hoge Raad op 21 december 2001 zijn oordeel gaf, betrof een arrest van het Gerechtshof Den Haag van mei 1999. Daarin had het Hof verklaard dat de eisers geen rechtens te beschermen belang hadden. Dit omdat de mogelijkheid van het gebruik van kernwapens zich niet zou hebben 'verdicht' op zodanige manier dat dat gebruik ook daadwerkelijk zou worden overwogen. Bovendien meende het Hof dat de eisers hun vorderingen te weinig concreet hadden omschreven. Daarbij verwees het Hof naar het Internationaal Gerechtshof (IGH), dat in 1996 niet ieder gebruik van kernwapens op voorhand als onrechtmatig had kunnen aanmerken. Daarom zouden de vorderingen moeten worden beoordeeld aan de hand van een concrete situatie.

De eisers meenden dat er voldoende gronden waren om het oordeel van het Hof te bestrijden. In de eerste plaats ging het Hof voorbij aan de feiten. De kernwapens zijn er, de plannen om ze te gebruiken zijn opgesteld, de middelen om ze in te zetten zijn beschikbaar en het militair personeel is getraind op die inzet. Daarmee staat de dreiging van het gebruik van kernwapens buiten kijf. In de tweede plaats gaf het Hof een onjuiste lezing van de uitspraak van het IGH over de (on)rechtmatigheid van het gebruik van kernwapens. Daarin heeft het IGH benadrukt dat het gebruik van kernwapens alleen rechtmatig zou zijn, indien aan alle vereisten van het internationaal recht inzake oorlogsgeweld zou zijn voldaan. Nu is het ondermeer onder alle omstandigheden verboden om de burgerbevolking tot doelwit te maken van een militaire aanval. De Nederlandse regering heeft het absolute karakter van dit verbod uitdrukkelijk erkend. De inzet van kernwapens tegen steden is dus uitgesloten, kan dus in geen enkele situatie rechtmatig zijn. Het Gerechtshof Den Haag kon dus redelijkerwijs niet zeggen dat de rechtmatigheid van gebruik van kernwapens tegen steden uitsluitend 'in een concrete situatie' kan worden beoordeeld.

De Hoge Raad heeft desondanks al onze bezwaren tegen het arrest van het Hof verworpen. De Hoge Raad vindt het niet onbegrijpelijk dat het Hof geen concrete dreiging van het gebruik van kernwapens aanwezig acht. De Hoge Raad ondersteunt ook de uitleg die het Hof heeft gegeven aan de uitspraak van het IGH over de (on)rechtmatigheid van het gebruik van kernwapens. Daarbij lijkt de Hoge Raad een visie inzake het humanitair oorlogsrecht voor te staan, die door de hele internationale gemeenschap is verworpen. Die alom verworpen visie houdt in dat de oorlogsnoodzaak ertoe kan leiden dat men zich niet hoeft te houden aan de beperkingen die het humanitair oorlogsrecht oplegt aan het gebruik van oorlogsgeweld. De Hoge Raad gaat onder beroep op de noodzaak van de verdediging, dus de oorlogsnoodzaak, voorbij aan het gegeven dat er normen zijn waaraan oorlogvoerenden onder alle situaties gebonden zijn.

Het arrest van de Hoge Raad is dan ook niet alleen teleurstellend, het is naar mijn mening ook een aanfluiting. Het arrest getuigt van onwil van de Hoge Raad om tegenover een misdadig militair systeem het recht te handhaven. Dit arrest mag dan ook niet het laatste woord zijn.

mr. Meindert J.F. Stelling, voorzitter Vereniging Juristen voor de Vrede

hoofdmenu    inhoudsopgave    archief    over 'tKA   

Laatst gewijzigd: 28 februari 2002