Op school leerden we over de algemene en over de vaderlandse geschiedenis. We kennen echter ook andere soorten, zoals kunstgeschiedenis, sociale geschiedenis enz..
De kans bestaat dat in de toekomst ook milieugeschiedenis een echt vak zal blijken te zijn.
Waarom ook niet? Is niet heel essentieel in het beschavingsproces van de mensheid hoe deze
in de loop der tijd met zijn milieu is omgegaan?
In Woutertje Pieterse beschreef Multatuli hoe juffrouw Laps op een salie-avondje, een uitermate burgerlijk gebeuren uit die dagen, zich enorm beledigd voelde. Daar werd haar gevraagd of ze wist wat ze was. Het antwoord, waar ze zelf niet op kon komen, luidde: "Een zoogdier!"
Hoe we het wenden of keren, of we onszelf erg hoogachten of niet, biologisch gezien is de
mens nu eenmaal een onderdeel van de hele keten van levensvormen die we op aarde kennen
en, wat zeker zo belangrijk is, hij is ook onderhevig aan de wetten die daarbij een rol spelen.
Ontstaan en afbraak van organisch materiaal speelt daarbij een cruciale rol.
Planten, van de eencellige algen tot en met de hogere planten, zij verstaan de kunst, onder invloed van zonlicht, organische stof te vormen uit koolzuur (CO2) en water (H2O).
Het is deze organische stof waaraan het dierlijk leven, via een keten van eten en gegeten worden, zijn energie ontleent, maar ook de stof voor de opbouw en de instandhouding van het eigen lichaam.
De processen zijn natuurlijk wel wat ingewikkelder dan hetgeen hier in een paar zinnen is neergeschreven. Bij de vorming van bijvoorbeeld eiwitten is ook stikstof betrokken, terwijl voor de groei ook kalium, fosfor en kleine hoeveelheden van andere elementen een rol spelen.
Er zijn dieren die planten eten, maar ook die planteneters eten, ook die diereneters eten. Het geheel van die voedselketen straalt, als ze niet verstoord is, iets evenwichtigs uit, iets van harmonie zo men wilt. Voor alles dat leeft is het echter een strijd om het bestaan. Soms alleen, soms samen met anderen.
De mens is er sinds zijn ontstaan, zo'n 3.5 miljoen jaar geleden in geslaagd zich niet alleen te
handhaven, maar heeft zich in een later stadium ook de rol van beheerder toegedacht, al of
niet als goede rentmeester.
afval inherent aan het leven
Al wat leeft sterft eens. De organische stof keert dan weer terug tot de oorspronkelijk bouwstenen, zoals koolzuur en water.
Gedeeltelijk gebeurt dat al bij die levensprocessen, namelijk wanneer de dieren koolzuur en water uitademen, onder verbruik van zuurstof. Voor het grootste deel gebeurt dat achter als de dood is ingetreden.
Een overheersende rol is daarbij weggegeld voor de bacteriën, kleine eencelligen, die veelal heel gespecialiseerd zijn.
De bacteriën hebben echter niet alleen een taak bij het opruimen van gestorven organismen. Ze hebben dat ook ten aanzien van de afvalstoffen die dieren, waaronder de mens, min of meer continu produceren. Daarmee is de kring gesloten.
De situatie is van nature stabiel, d.w.z. op niet al te korte termijn.
Wat we op korte termijn wel zien gebeuren zijn schommelingen in aantal van diverse soorten organismen.
Als een bepaalde soort explosief groeit, en dus het voedselaanbod voor een andere soort, dan treedt een terugkoppelingsmechanisme in werking. De laatste soort neemt dan toe, waardoor de eerste weer in aantal deelt enz..
De mens heeft zich door vele eeuwen heen getracht zich aan deze wetmatigheid te onttrekken.
De wijze waarop dat gebeurde en gebeurt levert het beeld van zijn (milieu)geschiedenis.
een experiment
Ir. Hans Peters schreef in 1970 zijn boek 'Van milieuvervuiling naar milieubeheer' in 1973 gevolgd door 'De wet van behoud van ellende'. Daarin beschrijft hij wat er gebeurt als een azijnbacterie helemaal alleen, dus in een reincultuur, zich bevindt in een voor hem optimale omgeving, d.w.z. genoeg voedsel (voor de azijnzuurbacterie is dat voornamelijk alcohol), genoeg zuurstof, goede temperatuur, goede zuurgraad en.... geen vijanden. Door zijn celwand neemt onze bacterie het voedsel tot zich en produceert wat voor hem een afvalproduct is, namelijk azijn.
In de beginnen verandert er in zijn omstandigheden niet veel en na enige aarzeling gaat hij doen wat nog ouder is dan de weg naar Rome: hij vermenigvuldigt zich.
Dat gaat bij zo'n bacterie heel eenvoudig. Hij kan het alleen af. Hij deelt zich gewoon in tweeën.
Na de aanloopperiode gebeurt dat bij hem en zijn nakomelingen elk kwartier. Achtereenvolgens zijn er dus 2, 4, 8, 16, 32, 64 enz. enz.. Dat gaat razendsnel. Na een etmaal zouden er al 78,7 x 10.27 zijn, een getal met 26 nullen, onuitspreekbaar groot.
Zover komt het echter niet. Na zekere tijd treedt vertraging op. Door de toename in aantal veranderden de milieufactoren. Het kan zijn minder voedsel, minder zuurstof, maar ook een zuur geworden milieu door de ophoping van azijnzuur, voor onze bacteriën een afvalstof.
Een terugkoppelingsmechanisme is in werking getreden. Na een zekere stabilisatie van het aantal bacteriën blijkt dit vervolgens snel te dalen.
Peters spreekt van een leerzaam minidrama waarin ook voor andere notoire voort planters, zoals mensen, een moraal verborgen is.
(Wordt vervolgd)
Koos de Beus
Naar: Inhoudsopgave archief of Inhoudsopgave 't Kan Anders
Last Updated 4 november 1999